Armoedebestrijding: een realistisch perspectief op redzaamheid

Square

In Nederland leven 1,2 miljoen mensen onder de armoedegrens. Velen van hen zien zich geconfronteerd met problematische schulden. Armoede en schulden staan het maken van eigen keuzes in de weg en beperken mensen daarmee in hun eigen ontwikkeling en zelfontplooiing. Dat vraagt om een antwoord vanuit een sociaal-liberaal perspectief.

Door Rens RaemakersBastiaan Winkel en Lodi van Brussel

Het aantal mensen dat niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in Nederland als minimaal noodzakelijk worden beschouwd ligt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek al een aantal jaren rond de 1,2 miljoen mensen. Zij hebben nauwelijks iets gemerkt van de aantrekkende economie. Dat logenstraft de gedachte dat armoede vooral een effect is van de economische conjunctuur. Een derde van de mensen die leven in armoede leeft al langer dan vier jaar onder de armoedegrens.

Armoedebestrijding kent in Nederland een rechts-liberale aanpak met flankerende sociale maatregelen. Centraal staat het wijzen op de eigen verantwoordelijkheid: mensen dienen zich in te zetten om uit de armoede te geraken door betaald werk te krijgen. De aanname is dat mensen in armoede leven vanwege hun (verkeerde) grondhouding en de (foute) keuzes die ze daardoor maken: niet solliciteren, meer consumptiegoederen aanschaffen dan volgens je budget verantwoord is, agressief of crimineel gedrag, onvoldoende aanpassing aan de mores in Nederland. Wanneer men laakbaar gedrag niet aanpast volgen sancties. Veel overheids­interventies zijn dan ook gericht op disciplinering: (verplichte) sollicitatiecursussen, een cursus huishoudboekje en integratiecursussen.

Om de scherpe kantjes eraf te halen, zijn er het socialezekerheidsstelsel en maatregelen die de sociale inclusie moeten bevorderen. Daarbij ligt de nadruk op directe beïnvloeding van het besteedbare inkomen via belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen, en daarnaast door het ingrijpen in de loonvorming en bijvoorbeeld het vaststellen van het minimumloon. De gemeenten zijn eerstverantwoordelijk voor bestrijding van armoede door onder meer inkomensondersteuning, schuldhulpverlening en arbeidsparticipatie.

Uitgaand van de cijfers is deze aanpak weinig succesvol. Steeds meer groeit het besef dat armoede niet alleen afhangt van inkomen uit werk, maar dat ook schulden, ziekte of een ongeval, onverwacht baanverlies of echtscheiding een rol kunnen spelen. Daarnaast lijkt sanctionering veelal een tegengesteld effect te hebben: boetes stapelen zich op en leiden niet zelden tot woningontruiming en dakloosheid.

Realistisch perspectief

Het rapport “Weten is nog geen doen” van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) herkent ook het ongemak dat met veel beleidsinitiatieven gepaard gaat. Rationeel klopt het allemaal en is er sprake van een sluitend systeem, maar toch vallen er steeds weer mensen buiten de boot. “Eigen schuld!” roepen en een sanctie opleggen helpt niet om ze weer terug aan boord te krijgen.

De WRR richt zich op een belangrijke premisse bij deze vorm van beleid, namelijk het uitgangspunt dat mensen redzaam zijn. De hoogopgeleide beleidsambtenaar schat de cognitieve, rationele en praktische vermogens van mensen consequent te hoog in. Daardoor ontstaat een spanning tussen hetgeen het overheidsbeleid van mensen verwacht en hetgeen ze daadwerkelijk aankunnen.  Ook mensen met een goede opleiding en een goede maatschappelijke positie kunnen in situaties verzeild raken waarin hun redzaamheid ontoereikend is, zeker op momenten dat het leven tegenzit. Dat is niet omdat hun intelligentie of kennis tekortschiet, maar omdat er een beroep wordt gedaan op allerlei andere mentale vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen, om het hoofd voldoende koel te houden, en om vast te houden aan goede voornemens.

De WRR roept daarom op tot een kentering in het beleid, waarbij een realistisch perspectief wordt gehanteerd, dat ervan uit gaat dat mensen niet altijd rationeel handelen. Om uit de schulden en de armoede te komen, doet het huidige beleid een groot beroep op wat in het WRR-rapport het “doenvermogen”[1]  van mensen wordt genoemd. En daar gaat het mis: het is immers juist vanwege het gebrekkige doenvermogen dat mensen langdurig in armoede leven. Het lijkt een voorschrift Catch-22 anno nu: hoe dieper iemand in de penarie zit en hoe minder die persoon blijk heeft gegeven een goed doenvermogen te hebben, hoe meer doenvermogen van iemand wordt geëist om er weer uit te kunnen komen.

Naar een sociaal-liberaal antwoord

Het rechts-liberale beleid met een sociaal sausje is ten aanzien van het armoedebeleid weinig effectief gebleken. Tweede Kamerlid Wouter Koolmees noemde het flankerend sociaal beleid eerder symptoombestrijding, omdat we de feitelijke oorzaak van de ongelijkheid niet wegnemen. Alle nivelleringsmaatregelen ten spijt zien we de tweedeling tussen kansrijken en kansarmen alleen maar groter worden. Daarom pleitte Koolmees voor een omslag in het denken over de verdeling van onze welvaart: van achteraf compenseren naar vooraf investeren. Door onderwijs verwerven mensen vaardigheden en kwalificaties. Door een goed zorgstelsel houden mensen hun gezondheid op peil. Een schone leefomgeving, sport en cultuur bevorderen het algemene welbevinden en bieden kinderen een veilige plaats om op te groeien.

In een sociaal-liberale visie is het doel van armoedebestrijding niet het zoveel mogelijk mensen boven een arbitraire inkomensgrens tillen, maar het wegnemen van onvrijheden, opdat elk individu maximaal zijn eigen lot ter hand kan nemen. Dat punt kan volgens ons alleen bereikt worden, indien we het doel van kansen voor iedereen koppelen aan een realistisch perspectief op redzaamheid. “Kansen voor iedereen” betekent niet alleen vertrouwen op de eigen kracht van mensen, maar ook aansluiten bij hun doenvermogen. Daarvoor is een radicaal andere kijk op armoedebestrijding nodig; een sociaal-liberaal antwoord dat niet alleen klopt op papier, maar ook in de praktijk zijn effectiviteit bewijst.


Rens Raemakers is Tweede Kamerlid D66, Bastiaan Winkel is Politiek Secretaris D66 Zuid-Holland, Lodi van Brussel is Gemeenteraadslid D66 in Leiden.

[1] Met dit neologisme doelt het WRR op non-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen en een plan maken, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleidingen en tegenslag.

 

Dit artikel is te lezen in de nieuwe idee. Wilt u ook een abonnement op idee? Klik dan hier.

Deze bijdrage is onderdeel van een breder traject binnen D66, met als doelstelling een nieuwe visie op armoedebeleid vorm te geven. Uw bijdrage of suggesties daarvoor zijn van harte welkom en kunt u richten aan Lodi van Brussel (lodi.vanbrussel@d66leiden.nl)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.